dinsdag, 20 oktober, 2015
Column

Van hiervoor: Kinderboekenweek
Wat volgt: Dood aan de roman!

Zeg in ieder geval dat het lief is

Het is tijd. Zojuist heb ik mijn tweede roman ingeleverd bij mijn uitgeverij. ‘Definitief’, heb ik aan de documenttitel toegevoegd, zodat er geen misverstanden over kunnen ontstaan. A27 is af. Alsjeblieft uitgever, alsjeblieft vormgever, alsjeblieft drukker, alsjeblieft lezer. Take it away!
Ik ben opgelucht. De metafoor is eerder gebruikt door andere auteurs, misschien zelfs te vaak, maar schrijven is als een zwangerschap, als een bevalling. Je draagt iets in je, iets wat steeds meer vorm krijgt, iets wat je emoties in de war schopt (soms huil je, soms lach je, vaak weet je niet waarom) en uiteindelijk moet je het eruit persen. En dan de vertedering als je het eindresultaat in je armen wiegt.

Nou ja, ik weet niet of de metafoor standhoudt, ik ben vader noch moeder. Ik baar slechts zorgen, geen kinderen. Niet een mensenkind in ieder geval. Maar een roman, ja. Eenmaal eerder is er een boek van mij uitgegeven. Verdwenen grenzen – de naam kiezen was een hel, kan ik verklappen. Ik werkte er drie jaar aan. Schrijven, herschrijven, meer schrijven, schrappen, schuiven. Tegen het einde kon ik bijna niet meer. Ik was op. Na de eerste zin van het werk te hebben verfijnd, zette ik ‘Beat It’ van Michael Jackson op. En hard ook. Daar zat geen diepe gedachte achter, geen literaire ondertoon die ik later zou kunnen oproepen als mensen mij de wat-ging-er-toen-door-je-heen-vraag zouden stellen. Ik leunde achterover, sprong rond minuut drie (gitaarsolo) van mijn stoel, deed een pirouette en plofte op de bank.

In wezen bleef ik daar weken lusteloos liggen. Natuurlijk at ik wat tussendoor, verplaatste ik mijzelf rond tienen naar boven om de nacht door te slapen, maar in de tussentijd kon ik niets meer ondernemen. Totdat de pakketdienst een doos boeken overhandigde. Twintigmaal mijn debuut. Ik pakte de bovenste. Ik rook eraan – dat doe ik altijd bij boeken en tijdschriften en volgens mij ben ik lang niet de enige, of wel? Penetrant, maar niet op een slechte manier. Ik bladerde erdoorheen. De tekst kende ik al, maar de vorm waarin die gegoten was nog niet. Het lettertype was strak. Achterflap, ja, dat is mijn verhaal in het kort! Ik draaide het boek om. Met mijn duim streek ik langs mijn voor- en achternaam. Het was gelukt.

Tevreden, lichtelijk geroerd, legde ik mijn debuut in mijn boekenkast, en ging ik achter mijn bureau zitten. Ik legde mijn vingers op mijn toetsenbord waarvan de meeste letters inmiddels zijn weggevaagd en begon te tikken. Waar Verdwenen grenzen een lijvig liefdesepos is met historische wortels, wilde ik nu een vlot en modern werk schrijven. Ik begon. Drie personen, één file: en dan? Ze hebben niets met elkaar te maken. Toch? Jawel, ze delen hun locatie, de snelweg die vijf kilometer van mijn woonplaats ligt. De A27. Schrijven, herschrijven, meer schrijven, schrappen, schuiven. Na anderhalf jaar wacht ik opnieuw op de doos.

Sinds ik twee romans heb geschreven, kijk ik ook anders naar andermans boeken. Ik vind ze niet snel slecht meer. Althans, ik houd mijn mening voor mij. Het is een beetje zoals mijn moeder zei als ik het avondeten vies vond. ‘Je vindt het niet vies, je vindt het niet zo lekker.’ Of zoals je tegen een trotse moeder zegt als zij trots haar verfomfaaid baby’tje toont (‘Is ze niet beeldschoon?’): ‘Ja, ze is zó lief!’ Ik zie niet alleen een goed of slecht verhaal, maar ook de zwangerschap van de schrijver. Iedereen wil een mooi werk afleveren.

Ik ben daar geen uitzondering op. Vanzelfsprekend hoop ik dat u A27 zult lezen en de roman kunt waarderen. Maar als u het boek niet zo lekker vindt: wilt u dan op zijn minst zeggen dat het ‘lief’ is?

Deze column verscheen 14 juli 2015 op Hebban.