Woordwoensdag: een beetje buitenland, maar wel lekker 11.08.
Ik heb ooit ergens gelezen dat het woord ‘buitenland’ vroeger helemaal geen ‘buitenland’ betekende. Verbeter me als ik het verkeerd heb (aangezien mijn bewijsstuk zoek is), maar het stond in vroegere tijden synoniem voor ‘vreemd’. Eigenlijk is dat helemaal niet zo… gek, want stiekem vinden we het buitenland nog steeds vreemd.
Buitenlanders zijn immers vreemdelingen en moeten het liefst blijven steken in België, Duitsland of Luxemburg of ergens in de Noordzee, maar wij Nederlanders gaan wel graag naar het buitenland toe. Dat is nú – nu de wereld dankzij het grote web zo klein is geworden – met een reisbureau binnen een paar klikken van je vandaan. Vroeger moesten we echter niets hebben van dat vieze bûtenlan en hun bûtenlanners. Het was vreemd; het waren vreemdelingen. We waren bij wijze van al aan het avonturieren als we bij het dorp twee kilometer verderop aanklopten.
Vandaar ‘buitenland’, ‘vreemd’. De interessante geschiedenis van het woord en de oorspronkelijke betekenis zorgen voor een plaatsje in de woordwoensdag van deze twee weken. En, vooruit, ook omdat ik mij daar op dit moment bevind. In het ‘vreemde’ bedoel ik.
Maar wanneer gebruik je het woord? ‘Ik ga naar het buitenland’ kan, maar klinkt niet sprankelend. ‘Ik ga de grens over’ voelt alsof je buitenland gaat met een ander. ‘Ik ga op vakantie’ (met een lange nadruk op de ‘s’ van vakanTIE) klinkt alsof je één van de schapen bent.
Dat is jammer. Dit gebruikersprobleem en de negatieve nasmaak van het woord zorgen ervoor dat er maar twee vandalen worden gescoord door ‘buitenland’.
