vrijdag, 25 september, 2015
Column

Van hiervoor: Wat doen mijn personages in Spanje?
Wat volgt: Kinderboekenweek

Receptuur: Hoe bereid je een merel?

Thrillers uit het buiten- en binnenland, een stapeltje oude Bosatlassen, twee dozen met vergeelde literatuur en kasteelromannetjes voor een euro. In een fruitkistje op de grond liggen wat streekromans. Dit marktkraampje heeft alles. Ik blader door een wijngids. Ik lees wat over zuurtjes en zoetjes en kruidige afdronken. Eigenlijk lust ik alle wijnen, dus eigenlijk heb ik geen gids nodig. Een goed verhaal is wat ik nodig heb. Een man met een prachtige witgrijze baard vraagt of hij iets voor mij kan betekenen.
‘Ik ben niet meer te helpen,’ antwoord ik.
Hij knikt.
Het merendeel van de boeken is oud. De omslagen zijn rustig, van een design is in veel gevallen geen sprake. Boeken met alleen een titel en een auteursnaam op een eenkleurig vlak. Mooi, vind ik. Soms pak ik er één op, en altijd leg ik ze weer terug omdat ik mijzelf op boekendieet heb gezet.

Dan zie ik een geelwit boek met een stilleven van een tafel bedekt met dode dieren. Een kreeft, een fazant, een eend, een patrijs, enkele andere vogelsoorten die ik niet thuis kan brengen en op de achtergrond een kelk gevuld met druiven. Ik kijk een tijdje naar de haas, die niet dood oogt, maar juist lijkt te ontwaken en schrikt van het massagraf van vogels waar hij tussenligt. Boven het plaatje staat in rode, net iets te ronde letters: Groot Keukenwoordenboek. Niet een heel sprankelende titel. Het is de schrijver van dit werk die mij overhaalt om gehoor te geven aan mijn honger naar informatie. Alexandre Dumas, de schepper van avonturenromans als De drie musketiers en De Graaf van Montecristo.

Een culinair werk dus, geschreven door de Franse veelschrijver Dumas. Eén van mijn favoriete auteurs, moet ik bekennen. Dumas was iemand die van lekker eten en goede wijnen hield. Geïnspireerd door zijn vele reizen en zijn grote voorliefde voor koken, besloot de Fransman zijn bevindingen vast te leggen in een keukenencyclopedie. Recepten worden afgewisseld door verhalende uitstapjes en lessen over hoe je goed moet eten. Dumas leert de lezer bijvoorbeeld hoe je een merel moet conserveren en klaarmaken (maar hoe moet je die vangen?). Dit moet ik hebben, denk ik, dus ik overhandig de man met de baard tien euro. Hij weerhoudt zich van commentaar. Hij lacht alleen maar. Ik lach terug, gelukkig als ik ben met mijn ontdekking.

Soms huist een mooi verhaal niet (alleen) in het boek, maar zit het er ook omheen. De volgende avond, en dit is waar, doe ik namelijk nog een opvallende vondst. Er hupt een jong gevleugeld mormeltje rond mijn auto. Een zwarte vogel. Eén pootje doet het niet meer. Het bolletje veren is bang als ik op hem afkruip. Het is geen merel, maar een jonge kauw. Ik noem hem Willem. Ik roep hem, maar Willem luistert niet naar zijn naam. Willem kan niet vliegen, hij kan nauwelijks huppen. Hij is gewond. Ik probeer hem in de boom terug te zetten, maar hij valt er opnieuw uit.

Wat moet ik met het beestje? Ik denk aan Dumas. Uitje, paddenstoelen en peterselie, tijm en laurier? Nee, natuurlijk niet. Willem is om op te eten, zo schattig. Ik probeer hem over zijn kopje te aaien, maar dat vindt hij niet prettig. Hij hupt van mij weg. Hij schraapt zijn keel. Er komt nauwelijks geluid uit. Ik besluit Willem in een doos te doen en naar de vogelopvang te brengen. Daar wordt Willem in mijn bijzijn onderzocht. Hij heeft wondjes die behandeld moeten worden, maar… Willem is gered!

Alexandre Dumas rept in zijn Groot Keukenwoordenboek geen woord over kauwen of kraaiachtigen. Willem was dus ook in het Frankrijk van de negentiende eeuw veilig. Op de vraag hoe je een merel precies prepareert is het Groot Keukenwoordenboek duidelijk: ‘Op verse merels kunnen alle bereidingswijzen van de lijster worden toegepast’. En we weten allemaal hoe we een lijster het lekkerst vinden, nietwaar?

Deze column verscheen 12 juni 2015 op Hebban.