vrijdag, 24 augustus, 2012
Blog

Van hiervoor: Het kan nog
Wat volgt: Schaduw – Winnaar juryprijs Welingelichte Kringen

Poetspas

Kwart over vijf, half zes. De jeugd ligt in stegen en parken, knock-out door koning alcohol. Of ze vozen met elkander, klungelig condooms knopend of de volgende generatie bij elkaar inspuitend, terwijl hun ouders zich een gipswand verder tevergeefs verzetten om arbeid te leveren. Ik beloop de pleinen van de stad onder het geloei van wekkers. De ouders snoezen verder, nog even dan, en hun kroost krikt de laatste stoot. Zij die niet spuiten, kotsen. Ook dat hoor ik, terwijl ik met mijn twee emmers door de stad paradeer. Eén met het gebruikelijke spul, geurend naar limoen, en één met benzine.

De bakker en ik zijn de enige die wakker zijn. De luiken zijn gesloten, maar ik ruik de bakkers ochtendhumeur, meegevoerd door de aroma van verse panini. Het is vroeg, zelfs de zon moet nog warmlopen. Maar ik heb geen zon nodig. Donkerte vind ik best.

‘Opgeflikkerd,’ ik trap een mannetjesduif de hemel in. ‘Roekoerukker.’ De vogel vliegt de kerktoren op. Zijn soortgenoten schrikken stuk voor stuk op, vliegen op. Rondje om de kerk, wie het laatst weer op de richel rust moet die man met zijn emmers onderkakken. Klaar voor de start? De duiven vliegen weerom naar de toren en proberen de slaap opnieuw te vatten. Ik hekel die beesten. En toeristen. Deze stad heeft van beide categorieën een teveel. Duif scharrelt, toerist voert, duif scharrelt uit hand, mond en haar, toerist vertelt over het voeren van duif aan toekomstige toerist, meer toeristen en meer duiven, duif scharrelt nog meer eten bij elkaar, duif poept voer over mijn vrienden en mij. Voornamelijk over mijn vrienden.
Maar natuurlijk leef ik dankzij die rotbeesten. Dat zal. En die duiven zijn ook niet slecht voor mijn portemonnee, zo is het ook. Toch: een politieagent houdt toch ook niet van tasjesdieven en verkrachters omdat zij voor panini op de plank zorgen?

Ik sta te zeiken. Dat kan ik tijdens dit tijdstip. Urine sijpelt via een Romeins monument tussen de klinkers de put in. Niemand kijkt, het is warm, ik heb een duif van mijn plein geschopt. Niemand zeikt, niemand tikt mij op de vingers. Een zwerver zal mij staande houden noch aanspreken. Hij drinkt zijn bocht en poedelt zijn gezicht schoon in de fontein, terwijl Neptunus zijn hoofd afwendt.
Het klettert, maar dat is mooie stilte. Ik houd van de gesloten mond van de morgenstond. In de steeg naar het volgende plein passeer ik een laveloos hoopje lichaam, zo oud als mijn dochter nu hoorde te zijn, en por met de punt van mijn schoen in haar buik. Ik gluur naar mijn emmer benzine. Hoe heet je, meisje? Het mompelt, het mort; het luistert nadat ik heb gedreigd met ons politiesysteem. Há. Het braakt al hollend huiswaarts.

De standbeelden en bustes van Romeinse goden en keizers laten zich inschikkelijk inspecteren. Ik veeg het marmer wit. Het meest bespottelijke wat ik ben tegengekomen: een mensendrol gedrapeerd op de hogehoed van Giuseppe Gioachino Belli. Een kunststukje. Maar deze ochtend tref ik alleen duivenpoep. Noemenswaardig is een klodder wit met bruine spikkels op de piemel van een of andere Romeinse godheid. Dat betekent schrobben met schreeuwende spieren.

De klokken slaan zes. Traditiegetrouw slaak ik een zucht. De eerste bewegende beelden sjokken door de stad, met schmink in hun rugzak. De zon is vief. Duiven heroveren mijn pleinen. Laat het schijten beginnen, zie ik ze denken.

De marmeren piemel is smetteloos. Desalniettemin zit mijn schift er nog niet op. De limonadegeneratie bezet de speeltuin. Ze dansen, ze huppelen, god, ze gillen. Voornamelijk de meisjes. Wat kunnen die loeien. Ik kan er niet tegen. Een sigaret beeft tussen mijn vingers. Ik heb mijn baas gewaarschuwd: ik wil eerder beginnen. Ja, ik prefereer zwalkende tieners boven krijsende peuters. Eén meisje, een actieveling, doet me denken aan de schelle schreeuw van vuurwerk. Mijn dochter. Ik huiver. Gillende speeltuinmeisjes zijn eigenlijk het tegenovergestelde van gillende keukenmeiden: je moet ze aansteken om stil te krijgen. Ik laat mijn emmer met limoen vallen en hol naar het kind toe. Benzine smeert mijn haarlok als ik de overgebleven emmer boven mijn hoofd til.