Op de kermis

– Kom je hier vaker?
– Meestal één keer per jaar. Soms twee keer.
– Ja, ik wilde net zeggen: volgens mij zag ik jou gisteravond ook lopen.
– Is dat zo?
– Ik weet het vrijwel zeker. Ik heb alle avonden tot nu toe meegemaakt. Eergisteren was je er niet, maar gisteren viel je mij op.
– Is dat echt zo?
– Zeker te weten. Je bent een mooi meisje. Mooie meisjes vergeet ik niet.
– Dankjewel, denk ik.
– Ben je hier alleen?
– Nee, met een vriendin. Ik heb hier met haar afgesproken.
– Dus niet met een vriendje?
– Nee.
Lucky me, zeggen ze dan in het Engels.
I suppose.
– Hoe heet je? Ik vind het ook weer zo wat om je telkens ‘meisje’ te noemen.
– Meisje is prima hoor.
– Ik heet Peter. Maar je mag mij ook jongen noemen, als je wil.
– Oké jongen.
– Kan ik je misschien verleiden met een suikerspin?
– Nee, je kunt me helemaal niet verleiden.
– Dat is best duidelijk.
– …
– Een oliebol dan? Een wafel met poedersuiker? Gesuikerde pinda’s, een snoepstok, dropballen? Iets te likken: een ijsje of een lolly?
– Nee, maar toch bedankt.
– Of nee, niet weglopen meisje, ik weet het al. Jij bent zeker zo’n hartig type? Een patatje dan? Met of zonder mayo?
– Ik denk dat ik mijn vriendin zie.
– We hoeven niet per se iets te eten hoor. We kunnen ook wat gaan drinken?
– Ja hoor, zij is het. Ze zoekt me.
– Of gewoon een beetje kletsen, gezellig, zoals we al een poos doen?
– Doei jongen!
– Dag meisje…
Het meisje liep met een haastige hup naar haar tegemoetkomende vriendin en passeerde haar zonder een groet van herkenning. Ze verdween achter het spookhuis. Nu wist Peter het zeker: ook op de laatste avond van de driedaagse kermis zou hij geen geschikte echtgenote vinden.

kermis