maandag, 12 maart, 2012
Blog

Van hiervoor: Moe
Wat volgt: Waterdicht horloge

Koningin

En of er iets was veranderd. Aan het pils lag het niet. Dat was koel. De dorst was groter dan het budget, maar iemand van ons had een verlaten fles graanjenever gevonden achter dozen tissues en blikken knakworsten. ‘Alsof mijn ouders het missen,’ zei hij. We knikten als het collectief dat we waren. De fles ging rond. Gezichten trokken strak. Lekker man. Dronken worden.
Het dorp doezelde achter ons. Ons rijk begon hier, met uitzicht over de weilanden. Met snotrochels bakenden we ons domein af. Hier rookte ik mijn eerste sigaret. Ik dronk hier mijn eerste pils, en mijn tweede, en ik kotste hier alles voor de eerste maal uit. Gal en pils. Dit bankje was onze soos. Ik steunde met mijn rug tegen de gegraveerde initialen. ‘WK’, de Weidekoningen.
De fles deed weer een ronde. Snel lurkten we onze peuken nat. Er waren afdoende pakjes om de smaak van jenever weg te branden. Op verzoek had ik een grote partij sigarettensloffen meegesmokkeld, die we onder het bankje hadden begraven. Niemand van ons rookte, volgens moeders.
Maar niemand kende ons. De nachtlucht raakte bezwangerd met nicotinewalm en vloeken. Mijn beste vriend liet zich naast me vallen. Ogen rood, een fles in elke hand, een peuk tussen de vingers gewurmd. Zo zagen we elkaar het liefst. Hij sloeg zijn arm om me heen. Dit was het moment dat we elkaar traditiegetrouw onze eeuwige vriendschap beloofden. ‘Jij bent tenminste een echte vriend’ en ‘gast, wat moeten we zonder elkaar?’ Zijn oksel hing in mijn nek. Hij rook naar long- en leverkanker, net als wij allemaal.
‘Jij bent toch een echte vriend?’ vroeg hij.
Ik hief mijn fles op om te klinken. ‘Voor het leven.’
Hij klonk en klokte zijn pils leeg. Niet eerder zag ik hem zo snel zuipen – hij was de sloomste van ons. ‘Ik val niet op vrouwen,’ fluisterde hij, om het daarna te zeggen en ‘goddomme, ik ben gay’ te schreeuwen.
Niet eerder deed ik zo lang over een slok pils. Het bitter klotste van wang naar wang.
‘Maar dat verandert toch niets?’ vroeg hij, de woorden in mijn oorschelp blazend. We keken over de polder, hoe de aardappelen de mist uithoesten. In de verte zagen we hoe een van ons luid loeiend de stamppot van morgen bewaterde.
Hij trachtte de graanjenever in mijn handen te drukken, maar ik weigerde. Hij had er net met zijn lippen aangezeten.
‘We zijn toch vrienden,’ loog ik toen alles was veranderd.
De Weidekoningen hadden geen koningin nodig.