vrijdag, 11 september, 2015
Column

Van hiervoor: NPO verkoopt zijn soul door Radio 6 niet te redden
Wat volgt: Wat doen mijn personages in Spanje?

Hoi, mijn naam is Stefan Popa en ik ben schrijver.

Hoi, mijn naam is Stefan Popa en ik ben schrijver.
Het heeft een hele poos geduurd voordat ik mij zo durfde voor te stellen. Het eerste gedeelte lukte altijd wel, hoewel ik mij als kind een klein half jaar heb geschaamd voor mijn achternaam, omdat deze anders was dan die van de andere kinderen. Enfin, Stefan Popa, prima. Hoi!
Maar mijzelf schrijver noemen?
Onzekerheid is voor het gros van de mensen geen onbekende eigenschap. Het internet staat vol met hippe filmpjes die ons wijzen op onze intelligentie of schoonheid, dat we er mogen zijn. Onzekerheid is een business geworden. Jij mag er zijn.
En ik? Niet Stefan Popa de mens, maar Stefan Popa de schrijver?
Ik word getart door professionele schaamte. Er zijn een miljoen schrijvers in Nederland. Tenminste, dat wordt steeds beweerd. Iemand heeft dat aantal een keer in de krant of op televisie genoemd en sindsdien spreken alle uitgeverijen, schrijvers en de media van één miljoen (aspirant-)schrijvers. Dat is veel. Heel veel. Wanneer ben je een schrijver? Als je een dagboek bijhoudt, als je gedichten schrijft, als je verhalen neerpent? Als je een rijzig bericht op Facebook plaatst? Moet je per se een publicatie op je naam hebben staan, of beter geformuleerd: moet je naam op een boekomslag staan?
Op zoek naar antwoorden verdwalen we al snel in definities. Mijn eigen onzekerheid belette mij om mijzelf het schrijverschap toe te dichten. ‘Ik heb een manuscript geschreven,’ zo ver durfde ik wel te gaan.
‘Dus je bent schrijver?’
‘Nou…’

Een manuscript laten uitgroeien tot een waar boek is niet gemakkelijk. Je hebt er geduld voor nodig, contacten, een dosis geluk en wat talent is mooi meegenomen. De route is hobbelig en vol gevaren. De boekensector lijkt o zo beschaafd, maar heeft vaak wat weg van het Wilde Westen. Het literaire feest der feesten in het Stadsschouwburg te Amsterdam is niets meer dan een salon waar cowboys en –girls elkaar diep in de ogen kijken en als je daar niet aan mee wilt doen kijk je maar heel diep in het glas.
Vorig jaar februari verscheen eindelijk mijn debuutroman Verdwenen grenzen. Ik schrijf eindelijk, maar de lezer weet niet dat ik er drie jaar aan heb gewerkt. Voor hen is het gewoon een roman, een dikkerd, maar een boek zoals zij er zoveel hebben vastgehouden.

Als ik ernaar kijk, zie ik alle versies die ik heb geschreven, de werktitels die zijn gesneuveld, de verwijderde hoofdstukken, de afgekeurde omslagen. Ik denk aan de twee manuscripten die ik daarvoor heb geschreven en die nooit zijn uitgebracht. Vingeroefeningen, meer waren het niet. De tranen van mijn vriendin toen ik haar het verhaal presenteerde over een jonge Roemeense dichter en een traditioneel Roma-meisje en hun vlucht uit het allesverzengende leven in een dictatuur. Ik denk terug aan mijn literair agent, Remco Volkers, en hoe hij mij heeft opgespoord via mijn website. Het afschrijven van het manuscript zelf. De zoektocht naar een geschikte uitgeverij; de pijnlijke afwijzingen, maar ook het uiteindelijke enthousiasme. De postbode die mij een zware doos overhandigde met daarin tien exemplaren van mijn debuutroman. Het bladeren, de geur, de kriebels. De boekpresentatie. De onverwachte, maar welkome recensie van Jeroen Vullings in Vrij Nederland. Het boekenpanel van De Wereld Draait Door dat besloot mijn boek te bespreken in het best bekeken praatprogramma van het land. Twee publieke zetjes die Verdwenen grenzen goed kon gebruiken – en ikzelf ook.

Bovenal zie ik de zoektocht naar het verhaal dat ik wilde vertellen. Mijn vader heeft onze achternaam meegevoerd uit Roemenië. Hij is geboren en getogen onder de dictatuur van de communisten. In de jaren tachtig voerde de liefde, mijn moeder, hem naar Nederland. Als half-Roemeen wist ik weinig van Roemenië af. Naarmate ik ouder werd, groeide de honger naar mijn roots. Ik schaamde mij allang niet meer voor mijn achternaam: ik wilde weten wie ikzelf was. Dit leidde tot mooie gesprekken en intensieve ontdekkingen. Sommige schrijvers spreken over een innerlijke noodzaak om te schrijven. Ik vond die noodzaak in de zoektocht naar mijn wortels.
In de drie jaar van het schrijven twijfelde ik constant of ik het boek wel af zou krijgen. En zou het wel goed genoeg zijn? Het was te moeilijk, te zwaar, hoe ga ik Ceaușescu’s dictatuur die ikzelf niet heb meegemaakt geloofwaardig weergeven? Ik wil te moeilijk, ik wil te makkelijk. Niemand gaat dit uitgeven, niemand gaat dit lezen. Twijfels als bijtend zoutzuur.
Maar het is gelukt. Sterker nog, mijn nieuwe uitgever, uitgeverij Marmer, heeft besloten om Verdwenen grenzen deze maand opnieuw uit te brengen. Aangescherpt, geredigeerd en voorzien van een hele kekke cover (aldus de trotse schrijver). Ik noem het ook wel de ultimate director’s cut edition.

‘Dus je bent toch een schrijver?’
Het lijkt er wel op, nietwaar? Eén van de miljoen. In mijn debuutroman staat een zinnetje dat net zo goed op mijzelf van toepassing had kunnen zijn: “Remus beschouwde zichzelf als een versjesschrijver. Versjesschrijver, geen poëet, om de geesten van grote dichters niet kwaad te maken.”
Ik durfde mezelf geen schrijver te noemen, min of meer om dezelfde reden. Maar dat was toen. De irreële angsten en twijfels zijn passé. Ik twijfel niet langer over mijn eigen schrijverschap. Ik houd ervan.
Mijn naam is Stefan Popa en ik ben dus schrijver.

Deze column verscheen 14 april 2015 op Hebban.