maandag, 3 oktober, 2011
Blog

Van hiervoor: Apenstreken
Wat volgt: Zij wil kinderen

Gedumpt voor het plassen

De kamer ruikt naar tandartshandschoenen, denkt hij. Het liefdeskoppel zucht synchroon. Zijn vrouw stoort zich niet aan de overheersende geur. Ze duikt met haar neus in zijn okselhaar. Haar neus is – hoewel correct van vorm – niet verfijnd. Zijn haren kietelen, maar dat vindt zij niet hinderlijk. Ze houdt van deze veilige plek, haar nest, haar vestingwerk van klitten. Ze voelt zich thuis in zijn lokale odeur van bacteriën, vet, talg en zweet.

Ze laat haar gelakte nagels, bruinrood, over zijn borst glijden. Haar vingers zoeken naar borsthaar om knopen in te leggen, maar hij besloot kortgeleden om het te kortwieken. Conform de modeplaatjes. Zij houdt niet van een kale torso. Hoe meer man, hoe beter. Hij luistert helaas niet. En toch. God, wat is ze gek op hem. Zelfs met een naakte borst. Haar mannetje. Haar Zoeteknoekel.
Het duurt lang, denkt hij. Waarom moet ze niet plassen? Of haar make-up bijwerken? Die gelukstranen – God, wat haat hij dat gezanik – verregenen haar zwarte wimpers. Hij bijt op zijn lip. Zij ziet het niet. Ze hoort alleen zijn zucht – een gelukzalig stroompje lucht. Een echo van het hare, denkt ze.
Hij ziet haar lichaam aan. Hoelang zijn haar billen al aangevreten door striaebeestjes? Hij herinnert zich de eerste aanraking, hand op kont, de magische eerste keer. Zij heeft geen kontkuilen, de nieuwe van verdieping drie. De oude trouwens ook niet.
Ze kust zijn biceps wel honderd maal. Soms kort, soms lang, maar altijd te veel – hij vloekt binnensmonds. Hij voelt hoe het kwijl via zijn musculus triceps brachii op het dekbed drupt. Zijn huid verschroeit door de aanraking van haar lippen. Lippen van liefde.
Hij sluit zijn ogen. Ik haat het weekend, denkt hij. Maar morgen zie ik haar weer. Die van drie. Hij pakt de hand van zijn vrouw en wrijft ermee over zijn borst. Stoppels. Daar heeft hij ook een hekel aan, net als het scheren van zijn borst. Maar morgen ziet hij haar weer. Die van drie.

Er wordt nog steeds niet geplast. Ze trekt haar neus uit zijn okselhaar en zegt dat ze van hem houdt. Om zijn lach, om zijn eerlijkheid, zijn trouw, liefde, humor, ongeremde goedheid en om zijn zijn. Hij mompelt wat. Ze kijkt hem aan. Haar ogen. Ze zijn mooi, maar God, wat haat hij dat schild van opkomende gelukstranen.
– Ik kan niet zonder je, Zoeteknoekel, zegt ze. Ik wil mijn leven met je delen.
– We zullen Facebookvrienden blijven, antwoordt hij. Ik moet plassen.

Deze tekst werd eerder gepubliceerd op Pulpfictie.nl. Stemmen mag altijd.